Soms mis ik het
Soms mis ik het, het schrijven (en een beetje praten) over jeugdliteratuur.
En dat klinkt raar he? Want ik praat wel over boeken. Ik ben namelijk een leesconsulent primair onderwijs bij een bibliotheek, ik werk met scholen aan het leesonderwijs en dus is het praten over boeken mijn werk letterlijk een onderdeel van elke week. En ja, ik praat over kinderboeken, prachtige, diverse vaak Nederlandstalige jeugdliteratuur in alle soorten en maten. Prentenboeken die kleuters beter doorgronden dan wie dan ook, boekpromoties in alle vormen en maten voor leerlingen zoals bookbattles (nee, we gaan elkaar niet slaan met boeken, nee, echt niet) en met leerkrachten over het belang van boeken als onderdeel van elke dag. Ik praat, zo ongelooflijk veel en vaak, over lezen voorlezen, over boeken, zoveel over boeken.
En toch mis ik het, schrijven (en ook een beetje praten) over jeugdliteratuur.
Deze zomer is het 5 jaar geleden dat ik afstudeerde van de Master Jeugdliteratuur en eerlijk gezegd, als ik dat zeg denk ik nog steeds een beetje “Huh, ik heb een master?”. Want waar op de basisschool ook werd gezegd dat ik zeker wel slim genoeg was voor VWO, was ik toch echt een HAVO-er en in het verlengde, een HBO-er.
(Alhoewel daar ook veel over te zeggen is, want slimheid is een dom begrip en ik spreek liever over theorie-geleerd en praktijkgeleerd en sowieso wat stom die hokjes).
Maar toch volgde ik een Masteropleiding. Omdat iemand me over deze specifieke master vertelde, op een willekeurige dinsdagavond op mijn werk – uiteraard in een boekhandel – en ik stiekem onder werktijd al even op google zocht naar deze studie en ik binnen een paar minuten wist; dit is het.
Twee kanten van dezelfde medaille.
Een gevoel dat alleen maar versterkte tijdens de open dag en standhield tijdens het inschrijfproces, eigenlijk gewoon tijdens de gehele studie. Zelfs online tijdens corona, zelfs toen ik essays opnieuw en opnieuw schreef, drie, vier, vijf versies voordat ik ‘m überhaupt durfde in te leveren om ‘m dan alsnog vol rode strepen en opmerkingen terug te krijgen. Zelfs scheldend op mijn scriptie, want sjonge jonge aan die essays wende ik wel (zelfs die rode strepen die uiteindelijk toch minder werden) maar die scriptie toch echt helemaal niet. Maar zelfs toen wist ik: dit is mijn richting, dit is wat ik heel erg graag doe.
Praten en schrijven over jeugdliteratuur.
In mijn werk, ter bevordering van kansengelijkheid, omdat lezen zoveel teweeg kan brengen. Omdat goed kunnen lezen betekent dat je beter in taal wordt en schoolresultaten vooruit gaan. En ook, even belangrijk, omdat ik ieder kind goede verhalen gun, en spiegels, en ramen.
Maar ook omdat mijn hart sneller gaat kloppen als ik praat over de geschiedenis van jeugdliteratuur, ik essays lees over genres en subgenres, als ik metafictionaliteit bespeur in boeken en dat mijn absolute favoriet is, als ik een gesprek heb over de conventie van heksen en hoe de Boze Heks (oeioeioei!) zoveel doet om daaraan te voldoen en er tegelijk tegenin te gaan.
Omdat ik graag schrijf en praat over wat jeugdliteratuur teweeg kan brengen maar ook over wat jeugdliteratuur is. Langzaam maar zeker begin ik weer kleine stukjes te schrijven, over boeken, ook nog steeds over leesbevordering maar ook weer over kinderboeken, jeugdliteratuur, als boeken.
Ik zou hier nog iets kunnen schrijven. Iets extra’s wat misschien niet zo extra is maar juist een kern van dit verhaal, over van je hobby je werk maken, over burn-outs en wat er dan gebeurt met je werk, die hobby. Maar ik kijk liever vooruit. Naar hoe ik verhalen van twee kanten wil blijven bekijken, als twee kanten van dezelfde medaille, van beide word ik erg blij.




